Planten & Info2016-12-12T15:00:48+00:00

Eenjarige planten:

De Klokwinde latijnse benaming Cobaea scandens  is een klimplant uit de vlambloemfamilie. De plant is afkomstig uit tropisch Amerika op hoogtes rond de 2 kilometer. De soort wordt in Nederland, Belgie en Frankrijk veel als tuinplant toegepast

Als ik praat over eenjarigen, maakt Cobaea scandens daar ook altijd een onderdeel vanuit. Het is een plant, die zowel in de tuin als tijdens lezingen vaak bewondering oogst. Cobaea scandens is een klimplant uit Midden-Amerika. Van de in totaal  20 soorten heeft alleen Cobaea scandens het tot tuinplant in Nederland gebracht. Jarenlang heeft deze tropische klimmer, die dus alleen in onze zomers een kans in de tuin gegeven kan worden, een marginaal bestaan in de tuin gehad. Hij was volstrekt onbekend en kwam eigenlijk alleen in botanische tuinen voor.

Laatbloeier Rond de jaren tachtig van de vorige eeuw kwam er een grote opleving op plantengebied en ook de eenjarigen liftten mee op dat succes. Zaadhandelaren zochten naar nieuwe soorten en vanaf die tijd zie je Cobaeamet enige regelmaat in tuinen van plantenliefhebbers. Voor hen is hij namelijk heel interessant, maar een tuinliefhebber die van een speciale aanleg houdt, kan voor deze plant vaak geen geschikte plaats vinden.

Deze klimplant staat bekend om zijn zeer trage start. Het is af te raden om Cobaea voor midden mei buiten te zetten. Rond eind april kunnen de zaden per stuk in een potje worden gezaaid en na midden mei worden de planten dan in de buurt van een gaaswerk, pergola of een struik uitgeplant. Na een paar weken begint dan pas echt de groei en midden augustus kunnen de ranken een hoogte van 3-5 m bereikt hebben. Pas dan gaat de plant bloeien. Het is dus met recht een laatbloeier.
De bloemen zijn de eerste dagen lichtgroen van kleur en vallen nauwelijks op, maar daarna verkleuren ze naar violet. Ze hebben dan het formaat van een flink wijnglas en ook min of meer die vorm. In het wild worden deze bloemen door vleermuizen bestoven, in ons land wordt die taak overgenomen door nachtvlinders. Er wordt bij de door ons gekweekte planten dan ook wel zaad gevormd. In gunstige zomers zullen zich na de bloei vele zaaddozen ontwikkelen en het zaad daaruit kunt u gebruiken om weer nieuwe planten van te kweken.

Cobaea scandens is een klimplant die zich door middel van bladranken aan draden, takken en ander klimhulpen vasthoudt en zo tot grote hoogten kan klimmen. Wie een schutting van planken heeft, zoals we zoveel in Nederland zien, dient enkele draden te spannen waar de ranken zich omheen kunnen winden.

Sluierkruid of gipskruid, latijnse benaming: Gypsophila elegans

 

Onder het geslacht gipskruid vallen vaste planten en eenjarigen. De belangrijkste vaste plant is Gypsophila paniculata. Dat is niet alleen een belangrijke borderplant, maar wordt ook geteeld als snijbloem.

Gypsophila elegans heeft net zoals andere soorten gipskruid een grijsgroene gloed

Gypsophila elegans is eenjarig. Het is een bossig groeiende tot zestig centimeter hoge plant. Alle soorten gipskruid verlangen een goed doorlatende en humusrijke grond. Een handje kalk door de grond zorgt voor een optimale groei.

Gipskruid behoort tot de familie van de kruidnagelachtigen (Caryophyllaceae). De Latijnse naam is afgeleid van de Griekse woorden gypsos (gips of krijt) en phile (vriendin). Van nature wordt gipskruid dan ook geassocieerd met kalkhoudende grond. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van het midden tot het verre zuiden van Rusland, Siberië, de Kaukasus en delen van Noord-Afrika. Gipskruid wordt ook wel sluierkruid genoemd vanwege de tere, tuleachtige bloemen. Gypsophila elegans groeit van nature in de Kaukasus. De orginele soort bloeit met witte bloemen. De bladen van de plant zijn grijsgroen en lancetvormig. Het is een delicate plant, die in de tuin beschermd moet worden tegen valwind.

Gypsophila elegans var. carminea bloeit met een rozerode bloem Gipskruid bloeit in de zomer onafgebroken rijk

Gypsophila elegans wordt in maart – april in de volle grond gezaaid. Zaai op de plaats, waar de planten de hele zomer moeten staan. De grond moet goed verteerde humus bevatten en goed water doorlatend zijn. Na het opkomen van de jonge planten moeten ze worden uitgedund. Een onderlinge afstand van dertig centimeter moet worden aangehouden. Gipskruid wordt bijna even breed als hoog. De planten gedijen het beste in de volle zon op een tegen wind beschutte plaats. Het is aan te raden de planten in een groep bijeen te houden; het vergemakkelijkt het opbinden als de planten door slagregen en wind zijn omgevallen.
Naast de rozerode variëteit (Gypsophila var. carminea) bloeit Gypsophila elegans var. maxima alba met zuiver witte bloemen.

Kattensnoor – Latijnse benaming: Cleome hassleriana

Een echte aanwinst op het menu van tijdelijke beplanting in de tuin.

.

De kattensnor of Cleome is een plant die al lang in cultuur is

In tropische en subtropische streken van vrijwel de gehele wereld komt de plant in het wild voor op vochtige en kalkrijke gronden. Een echte kosmopoliet dus. Cleome vraagt een warme en voedzame tuingrond. Een voortdurende dorst is echt een eigenschap van Cleome. Je kunt Cleome natuurlijk kopen, maar zelf zaaien gaat ook heel goed. In april wordt onder glas gezaaid. Na het ontkiemen de jonge plantjes nog even laten doorgroeien om ze vervolgens afzonderlijk op te potten. Na oppotten nog onder glas houden om ze vervolgens half mei in de tuin een plekje te geven.

Cleome groeit flink breed uit zodat een onderlinge afstand van 40 – 50 cm als plantafstand moet worden aangehouden. Cleome of in vroeger tijden Gynandropis behoort tot de familie van de Capparidaceae. Er zijn zo’n 200 soorten van bekend. Het meest in cultuur is Cleome spinosa. De soort is van oorsprong afkomstig uit Mexico en kan in het Nederlandse klimaat 80 – 100 cm hoog worden. De stengels van de plant zijn zacht behaard en kleven een beetje. De bladstelen en de schutbladen zijn vaak gestekeld. Mieren bezoeken nog wel eens frequent de plant. Dit kan absoluut geen kwaad. Cleome heeft een opvallende bloei. De hoofdbloeikleur is donkerroze, de bijna uitgebloeide bloemen verkleuren naar bleekroze. De bloempjes zijn 3 – 4 cm groot. De plant bloeit vanaf begin augustus tot de eerste nachtvorst zich heeft aangekondigd. Het meest opvallende en absolute kenmerk zijn zeer zeker de lange, purperkleurige meeldraden, die inderdaad doen denken aan het vijfde zintuig van de kat. De bloemen behoeven niet te worden uitgeknipt. De ‘snorren’ blijven zitten al is de bloem uitgebloeid.
Het is wel eens mogelijk variëteiten te kopen. Zo zijn Cleome ‘Alba’ en ‘Pink Queen’ als zaad verkrijgbaar.

Lampionplant – Latijnse benamng:  Physalis

De lampionplant is inheems in Japan en komt als ‘onkruid’ voor in Centraal- en Zuid-Europa. Het plantengeslacht is familie van de nachtschade (Solanaceae).
De lampionplant neemt genoegen met schrale grond. Elke zandige grond of grond met weinig humus is nog goed genoeg voor deze plant. Naarmate er meer humus in de grond voorkomt, zal de plant er alleen maar hoger door groeien. De plant is een beetje giftig, maar niet erger dan het familielid de tomaat.

Physalis, zoals de plant botanisch is gedoopt, ontleent z’n naam aan het ballonvormige omhulsel van de besvrucht. Op oude schilderijen komt deze geregeld voor om een herfststemming uit te drukken. Het Griekse woord physa(lis) betekent letterlijk blaas. Het opgeblazen vruchtomhulsel is niet de bloem. De bloem zelf is volstrekt onbetekend. Ze verschijnen in juni – juli. Na de bloei vormt zich het omhulsel van de vrucht. De vrucht = bes heeft een oranje-gele kleur en is niet zichtbaar door het omhulsel eromheen. We kennen de plant dan ook meestal alleen maar als snij- of gedroogde bloem met die opvallende (circa 5 cm grote) oranjerode kegelvormige ‘bloemen’.

In Nederland wordt in hoofdzaak Physalis alkekengi als zaad aangeboden. De plant staat weliswaar te boek als vaste plant, maar overhouden lukt maar zelden. We beschouwen de plant maar beter als éénjarig. Zaaien kan vanaf eind april tot ver in mei. Zaai breedwerpig en direct op een plekje in de tuin. De lampionplant verlangt een warme, zonnige standplaats. Na het zaaien geregeld sproeien. De planten kunnen een hoogte bereiken van 80 – 120 centimeter. Ongeveer in augustus verschijnen de vijfhoekige oranjerode kelken. Het ‘oogsten’ moet plaatsvinden voordat de eerste herfstregens neerkletteren. Wacht je te lang, dan is de kans groot dat de besdozen al aan de plant gaan schimmelen en rotten.

Naast Physalis alkekengi bestaan ook Physalis peruviana ‘Edulis’ en Physalis ixocarpa. Van deze beide soorten is de bes eetbaar. De Physalis peruviana heeft een gele bes en staat in de delicatessenzaak als Golden Berry (in blik). De bes van Physalis ixocarpa is paarsblauw van kleur en is bijna twee keer zo groot als de Golden Berry.
De stengels met vruchten van Physalis alkekengi kunnen heel goed worden gedroogd en zijn een opvallende verschijning in elke vaas met (droog)bloemen. Hang na het ‘oogsten’ de bos stengels met de dozen omgekeerd te drogen. Na ongeveer twee à drie weken zijn ze droog genoeg om in een boeket verwerkt te worden.

Pronkerwtnen – latijnse benamingen Lathyrus

Lathyrus magno et peramaeno flore odore,” Lathyrus met grote bekoorlijke, welriekende bloemen. Zo beschreef Caspar Commelin in zijn Horti Medici Amstelodamensis de voor het eerst in Nederland gezaaide pronkert.

Lathyrus is voor het eerst gevonden op Sicilië door pater Franciscus Cupani. In de botanische tuin van de vorst van Catolica in Misilmeri werden de eerste planten gezaaid.

De pater beschreef als eerste de Lathyrus in zijn boek Hortus Catholicus in 1696. De naam Lathyrus is afgeleid van het Griekse woord lathuros dat zoiets als peulgewas betekent. Een andere ‘betekenis’ is (La =) erg veel (thoures =) stimulerend middel. De grootste kwaliteit vanLathyrus is zonder meer zijn rijke bloei met de vele bloemkleuren, maar bovenal de heerlijke, haast bedwelmende zoetige geur, die de bloem verspreidt.

Voor de tuin komt vooral Lathyrus odoratus in aanmerking. Er bestaan wel lathyrusplanten als vaste plant, zoals Lathyrus latifolius, die ook zeer rijk bloeit, maar vooral niet geurt èn een wel geurende soort Lathyrus nervosus. De laatste is echter onvoldoende winterhard in Nederland. Van de soortodoratus zijn het Spencer-type, het praecox-type en de kruising Spencer-praecox-type van belang.

Zaaien, opkweken en oogsten van bloemen
Lathyrus of pronkerwt is een plant uit de familie van de Leguminosae. Van Lathyrus bestaan zeer veel rassen, zo’n honderdzeventig stuks. De belangrijkste kleuren zijn wit, rood, rose, crème, crème-geel, oranje en alle denkbare mengkleuren van deze hoofdkleuren.
Lathyrus laat zich in de tuin heel gemakkelijk zaaien. Goede en diep losgemaakte met oude stalmest vermengde grond en een vooral zonnige standplaats zijn de belangrijkste eisen die de plant stelt om tot volle wasdom en bloei te komen. Lathyrus is diep wortelend, dus maak de grond 2 à 3 steken diep los.

Dieven
De plant is zelfhechtend en moet dus kunnen klimmen. Een stellage van kippengaas of een chrysanthennet, een haag of een aantal verticaal gespannen draden neemt de plant voor lief.
Voordat de zaden aan de grond worden toevertrouwd, worden ze eerst één nacht in water voorgeweekt. De zaden worden in de volle grond vanaf april tot einde mei op een afstand van 10 – 15 centimeter van elkaar uitgelegd. Afdekken met een laagje grond van zo’n 10 centimeter. Wanneer de plantjes uitgelopen zijn en een hoogte hebben van 8 – 10 cm, moet de top eruit genomen worden. Er groeien dan grondscheuten uit. Laat deze doorgroeien en neem regelmatig zijscheuten, die in de oksel van de blaadjes uitgroeien, weg. Dit dieven gebeurt op dezelfde manier als bij de teelt van tomaten.

Bij een hoogte vanaf 50 centimeter worden de zijscheuten niet meer weggenomen. De plant zal nu meer en meer bloemen gaan ontwikkelen. De bloei duurt tot het invallen van de eerste (nacht)vorst. Mest regelmatig bij met wat oude stalmest of gedroogde koemest.
Zorg er absoluut voor dat gedurende de bloeiperiode alle bloemen worden uitgebroken of weggeknipt. Wanneer de plant de kans krijgt om peulen te vormen, houdt de bloei op. De peulen waarin de zaden zitten, worden in ons klimaat niet rijp. Het zaad komt voornamelijk uit Californië of Engeland.
De geplukte bloemen kunnen uiteraard op vaas worden gezet. Neem altijd een brandschone vaas. Een bodempje (3 cm) water is genoeg. Voeg snijbloemenvoedsel aan het water toe. Zet Lathyrus op vaas nooit in de buurt van rijpend fruit. De bloemen verwelken daardoor heel snel.

Madeliefje of Meizoentje – Latijnse benaming: Bellis Perennes

Madelief, meizoentje zijn synoniemen voor Bellis. Wie bij madeliefje de witte bloempjes in gazon of weide op het netvlies heeft staan, komt hier niet aan zijn trekken. Hier gaat het over een gekweekte madelief, die weliswaar dezelfde botanische naam draagt, maar veel grotere bloemen heeft en bovendien in felle tinten te koop is. Het is typisch een plantje, waarvan je in het vroege voorjaar geniet.

In de pomponettenserie zijn diverse kleuren van Bellis perennes

De naam Bellis is afkomstig van het Latijnse woord bellus, dat mooi of lieflijk betekent. De naam madeliefje heeft meer te maken met weide of made. Hoewel het madeliefje een van de bekendste planten bij mensen is en de plant wijd verspreid binnen Europa voorkomt, zijn er meer dan twintig soorten van bekend. Veel soorten daarvan groeien in Europa, Turkije en de noordelijke zone van het Afrikaanse continent. De planten groeien op elke vochthoudende grondsoort in zon en halfschaduw. De planten vormen bladrozetten, uit elk rozet komen bloemen. Het blad is lepelvormig of breed ovaal. Bellis is geschikt voor de beplanting van bloembedden om de overgang winter – zomer te overbruggen. Naarmate de temperatuur stijgt en de dagen lengen, rekken de planten omhoog. Eind april is het meestal gedaan met deze voorjaarspracht.

Zaaien of scheuren
Bellis wordt aan het begin van de herfst gezaaid in een koude bak. De belangrijkste zorg is het voortdurend vochtig houden van de grond, waarin de kiemen moeten opkomen of waarin de plantjes zijn verspeend. Meestal wordt Bellis als een- of tweejarige geteeld. De kiemen worden meestal in een bosje verspeend (verplant). Later kan zo’n bosje worden gescheurd en ontstaan verscheidene kleine polletjes.

Oost Indische Kers – Latijnse Benaming:  Tropaeolum

Als kind zaaide je Oost-Indische kers als je tot de gelukkigen behoorde die op de basisschool een schoolwerktuin kregen toebedeeld. Zaaien van Oost-Indische kers is dan ook ‘kinderlijk’ eenvoudig. Toch zijn er soorten die minder bekend zijn en er zo mogelijk nog fraaier uitzien; al lijken ze weinig op de overbekende, uitbundige bloeiende Oost-Indische kers.

Gewone Oost-Indische kers is door Linnaeus Tropaeolum genoemd.

Tropaeolum majus is de bekende en gewone Oost-Indische kers

De naam betekent zoveel als oorlogsbuit, opgestapelde overwinningstekens. In zijn ‘Hortus Cliffortianus’ vergelijkt hij Oost-Indische kers met een trofee: “De bladeren stellen de schilden voor, de bloemen de met bloed besmeurde helmen.” Hij liet de planten tegen een piramidevormig netwerk groeien. Ze werden meters hoog.
Van de gewone Oost-Indische kers zijn veel hybriden in omloop. Ze zijn grofweg te verdelen in twee typen: de compact groeiende en de rankende variëteiten. De laag blijvende soorten zijn bijzonder geschikt voor de kleine tuin en balkonbak. Oost-Indische kers is er zowel op kleur als gemengd en ook als enkel- of dubbelbloemige hybride.
Bekende hybriden zijn: ‘Roulette’, ‘Whirley Bird’ en ‘Alaska’. De laatste heeft bonte bladeren.

Tropaeolum pentaphyllum komt uit Bolivia en Argentinië.

Tropaeolum pentaphyllum is een geweldige klimmer

Het is een heel rijk bloeiende soort en klimt tot wel drie tot vijf meter hoog. Zoals de tweede (soort)naam al aangeeft, heeft deze kers vijfdelige bladeren. In de zomer verschijnen de fel gekleurde oranjeroze buisvormige bloemen, die afgebiesd zijn met vijf groene kelkbladeren. De plant is niet winterhard. Ondergronds vormt deze kers langwerpige knollen. De knollen kunnen aan het eind van het seizoen worden uitgegraven. Bewaar ze in vochtige turfmolm op een koele en vorstvrije plaats. In mei kunnen ze dan weer worden uitgeplant.
Een schitterende klimmer voor wie eens een ander de loef wil afsteken met deze trofee.

Tropaeolum speciosum heeft zestallige bladeren.

Tropaeolum speciosum is goed over te houden

De vierdelige en buisvormige bloemen zijn felrood gekleurd. Van oorsprong komt de plant uit Chili. Het is een prima klimmer, voor wie een ruime tuin heeft. Plant hem aan de voet van een conifeer of een andere opgaande heester. De plant houdt aan de voet absoluut niet van zon. In de zomer is zo’n struik overdekt met de fraaiste bloemen van deze Tropaeolum. De plant vormt verdikte wortelstokken, waaruit ieder jaar weer jonge scheuten omhoog groeien. Merkwaardig genoeg blijft de plant niet vast op z’n plek. Hij gedraagt zich echt als een wortelstok en ‘wandelt’ telkens een stukje verder de tuin in. Dek de plant in de winter met bladaarde af.

Cultuur
Gewone Oost-Indische kers wordt in mei, op een warme zonnige plek, op de gewenste plek gezaaid. Zorg er wel voor dat de planten tegen ‘iets’ (hekwerk, gaas, rijshout) omhoog kunnen groeien. Ze zijn zelf rankend en kunnen meters hoog worden. Bloemknoppen en blad kunnen worden gegeten. De knoppen kunnen ook in azijn worden ingelegd en zijn een lang houdbare delicatesse. Oost-Indische kers is vooral in de vroege ochtend fraai om te zien. De ronde bladen zijn dan bezet met dauwdruppels, die als parels op de bladrand blijven zitten.

Wie Tropaeolum pentaphyllum heeft bemachtigd, kan deze na half mei uitplanten. Eveneens op een warme zonnige plek. Zaad van deze soort moet al begin april onder glas worden uitgezaaid.

Alle Tropaeolum-soorten bevatten de stof mysorin. Het is een werkzame stof tegen vreterij van slakkenTropaeolum is gevoelig voor rupsvraat en bladluizen.

Papaver – Latijnse benaming: Papaver rhoeas (etc)

Onwillekeurig denk je bij Papaver aan opium. Dit pijnstillende en diarree stoppende middel heeft intussen meer een bekendheid als drug gekregen. De in Nederland inheemse papavers en soorten trekken in bloei in de tuin alle aandacht door hun intense kleuren.

Papaver rhoeas, de echte klaproos

Papavers verliezen snel hun bloemblaadjes op vaas en kunnen beter maar niet worden geplukt.

Klaprozen zijn ook papavers. De inheemse soorten komen voor langs wegbermen en randen van akkers. Spontaan kunnen klaprozen explosief tot groei en bloei komen op plaatsen waar de grond is geroerd. Ze komen alleen daar voor waar de grond zandig of licht kleiig van samenstelling is. Onze papaver is éénjarig. Maar zelden staan er een volgend jaar weer veel papavers op dezelfde plek. Het zaad van de éénjarige papaver kan jarenlang in rustende toestand in de grond blijven totdat de omstandigheden weer gunstig zijn om te groeien en bloeien.

Bloemen en zaaddozen van
Papaver somniferum

De zaden bevatten een olie die een langdurig conserverende werking heeft.
Klaprozen brengen duizenden zaden voort.Dat er eentje meer of minder toch verrot, vormt geen enkele bedreiging voor het voortbestaan van de soort. Klaprozen bloeien in mei tot en met augustus. De hoofdbloei valt in juni en juli. De Griekse godin Ceres werd in de oudheid afgebeeld met een hoofdtooi van in elkaar gevlochten klaprozen. Ceres is de godin van de landbouw. Inheemse klaprozen zijn: de gewone klaproos Papaver rhoeas , de kleine klaproos Papaver dubium en de ruige klaproos Papaver argemone.

Kleurige ‘mutsen’ en mooie zaaddozen
Papavers zijn er in veel soorten en maten.

Oosterse klaproos Papaver orientale

De belangrijkste voorwaarde om een rijke bloei van papaver te krijgen is volle zon. Ze zijn goed te combineren met rose en witte tinten van andere bloemen. Monarda en Phlox zijn vaste planten die in bloei goed aansluiten bij de papaver. Geef de papaver een ruim bemeten en tegen de wind beschutte standplaats. Sommige soorten hebben grote topzware bloemen, die bij regen wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken.

Papaverbloemen hebben de vorm van een slaapmuts. De bloemblaadjes staan kransvormig rond het opvallend grote vruchtbeginsel. Dit vruchtbeginsel is aan de bovenzijde afgeplat van vorm. Over het ‘dak’ van het vruchtbeginsel liggen de stampers in kruisvorm. Na vruchtzetting zwelt het vruchtbeginsel op en vormt zich de zaaddoos met daarin ontelbare kleine zaden. Deze zaaddozen zijn sierlijk van vorm en blijven lang aan de plant zitten. De zaaddozen zijn bijzonder fraai wanneer ze met stengels worden gedroogd.

Papaver orientale ‘Turkenlouis’

In droogboeketten (en kerstversiering) misstaan de papaverzaaddozen zeker niet.

Papaver orientale komt in het wild voor langs kusten van de Middellandse zee tot in Perzië. De bladeren zijn diep ingesneden en getand. Zowel bladeren en stengels zijn ruw behaard en voelen stekelig aan. Hoewel deze papaver zich uitzaait, wordt hij door wortelstek vermenigvuldigd. Onder de papavers is deze soort nog de beste die als snijbloem kan worden gebruikt. De oriëntaalse papaver wordt tot één meter hoog. De meest bruut uitziende papaver van deze soort is ‘Marcus Perry’. Bloemen halen wel een doorsnede van 20 cm. Desondanks blijven de bloemstengels mooi overeind staan. De bloemkleur is oranje-scharlaken met zwarte vlekken daarop. De zaaddozen zijn bolvormig en lange tijd ruw behaard. Een fraaie aanwinst als u voldoende ruimte hebt om deze geweldenaar tot z’n recht te laten komen.

Andere variëteiten zijn de oranjerode ‘Mary Queen’ met een prachtig staalblauw hart en ‘Feuerriese’, die felrood bloeit.

Zaaddozen van papaver

De zaaddoos van de papaver bevat uiteraard het zaad van de soort. Niet alleen kan dit van vrijwel elke soort worden gezaaid, maar het kan ook in gedroogde toestand worden gebruikt in de bakkerij. Maanzaad wordt gestrooid over luxe brood of broodjes en kan worden verwerkt in gebak met toevoeging van onder andere honing

Pompoen Latijnse benaming: Cucurbita

Is de kalebas eenmaal volgroeid, dan zijn er leuke figuren in uit te snijden of is er een lekker zomersoepje van te maken. In Nederland komen wij meestal niet verder dan het decoreren van onze huiskamertafel met een keur aan kalebasjes op schaal. Er zijn vele vormen en kleuren in omloop. Het zelf laten opgroeien van enkele kalebasplantjes is helemaal niet moeilijk, wel spannend. Want de vorm en grootte van de vrucht is telkens weer een verrassing. Kalebas voelt zich heel lekker op een warme en broeierige standplaats in de tuin.

Kalebas als winkelwaar… …en om te decoreren

Kalebas of pompoen
Kalebas is het synoniem voor pompoen. Toch krijgen sommige mensen de kriebels bij de gedachte dat deze wrattige vruchten eetbaar zijn. Overigens behoort de courgette en de patissontot dezelfde familie. Italiaanse gerechten mogen dan melodieus in onze oren klinken, maar daar waar sprake is van zucca als bestanddeel van een recept, is dit niets anders dan een fraaie (Italiaanse) naam voor pompoen.

Kalebas is er in veel kleuren en vormen

Pompoenen moeten we zelf zaaien. Een voedzame en humeuze grond, flink verrijkt met oude stalmest zorgt voor het snel opkomen van de gezaaiplantjes. In een zakje zaad van 5 gram zitten om en nabij 30 zaadjes. Voorwaar, een flinke hoeveelheid planten met vruchten staat ons te wachten… Zaai in een kistje of in een voldoende diepe plastic bak. Dek de bak af met een glasplaat en lucht de gehele dag door de glasplaat te verwijderen. Gezaaid wordt begin mei. Na ongeveer twee weken moeten de planten uit de zaaibak op hun definitieve plaats worden uitgeplant. Plantafstand 1 x 1 meter. Een halfschaduwrijke plek is noodzakelijk wanneer de grond in hoofdzaak zanderig is.
Op klei- en zeer humusrijke gronden gedijen de planten prima in de volle zon. Meng voordat geplant wordt een flinke hoeveelheid verteerde stalmest door de ondergrond of gebruik gedroogde koemest. Na het uitplanten permanent zorgen voor een vochtige grond. Geoogst wordt vanaf juli tot en met eind september.

Pompoenachtigen die voor consumptiedoeleinden zijn bestemd, worden onvolgroeid geoogst. De bewaarbaarheid van kalebas en pompoen is goed zolang de omgevingstemperatuur niet boven de 12 graden komt.

Recept met kalebasjes
Snij één of meer kalebassen in stukken. Verwijder de (vele!) pitten uit het vruchtvlees.Snijd de harde schil eraf en spoel de stukken kalbas schoon. Doe een bodempje water in een flink grote pan en voeg daaraan toe: een in blokjes gesneden kleine knolselderij, een grote gesnipperde ui, een halve theelepel gedroogde tijm, twee blaadjes basilicum en een halve eetlepel zout. Kook het geheel circa 25 minuten op een middelhoog vuur. Neem hierna de pan van het vuur en pureer de inhoud in de pan onder toevoeging van 1 of 2 bouillon(blokjes) en nog wat zout naar eigen smaak. In plaats van zout kan ook wat (afhankelijk van de hoeveelheid soep) tamari toegevoegd worden. Tamari is een product gemaakt op basis van soja. Rasp ook twee middelgrote aardappels door de soep en breng het geheel weer aan de kook onder toevoeging van water. Proef geregeld op smaak. Laat de soep nog 15 minuten op een laag vuur pruttelen.
De smaak van de soep is een beetje zoetig en doet denken aan een wortelsoep. Kalebasjessoep is gezond en bevat een buitengewoon hoog percentage caroteen.

Grote en kleine kalebasjes voor de eeuwigheid
De echte kalebasvruchten zullen na verloop van tijd langzaam voos worden en uiteindelijk van binnenuit verrotten. Door hun decoratieve uiterlijk lenen de vruchten zich goed om er niet alleen een unieke foto van te maken, maar ook om een plaats te krijgen in de tuin of waar dan ook in uw huis.

Hiervoor is het nodig dat er een mal gemaakt wordt van de vrucht. In een winkel voor creatieve benodigdheden kunt u een pot vloeibare rubber kopen. De rubber wordt in meer lagen over de vrucht aangebracht. Na het aanbrengen van een laag rubber laten drogen voor de volgende laag aan te brengen. Naar gelang de grootte van de na te maken vrucht wordt het aantal lagen op te brengen rubber bepaald. Gemiddeld zijn 5-6 lagen voldoende om een stevige mal te vormen. Is de mal op de gewenste dikte, dan wordt voorzichtig de vrucht uit de mal genomen. Soms is het gebruik van een mesje nodig. Snij geen gat in het rubber. Is de vrucht verwijderd, dan de mal vullen met een vooraf gemaakt mengsel van zand (1 deel), gemengd met 2 delen cement en wat water. De vulling goed aandrukken! Laat het mengsel enige dagen in de mal uitharden (5-10 dagen) voor de mal er vanaf te strippen. Meer afgietsels zijn mogelijk met dezelfde mal. Is het afgietsel voldoende hard, dan kan eventueel met behulp van matte verf kleur aangebracht worden, zodat het uiterlijk ‘net echt’ lijkt. Een ‘grijze afdruk’ is echter al heel fraai op zich. Gips is af te raden als gietmiddel.
Weliswaar voltrekt het hardingsproces zich snel, maar het gipsmodel is zonder verdere bewerking (lakken, waterglas o.i.d) niet bestand tegen regen. Succes met de nakomelingen van kalebasje

Slaapmutsje – latijnse benaming:  Eschscholzia californica

 

“Een slaapmutsje nemen door een gat in je kraag drinken.” Met deze gecombineerde uitdrukkingen heeft de Eschscholzia niets van doen. Het is een leuk en uitbundig oranje bloeiend, eenjarig plantje uit de familie van de maanzaadachtigen (Papaveraceae).

Eschscholzia californica, het echte slaapmutsje

Het is een echte zonaanbidder die het op een zinderend warm plaatsje in de border het beste naar z’n zin heeft. Slaapmutsjes zijn wat je noemt opvullers in de border. Zijn er gaten ontstaan tussen het overige eenjarige perkgoed, dan is het slaapmutsje een dankbaar en gemakkelijk te zaaien gast erbij.

Slaapmutsjes kunnen in april gezaaid worden, maar ook nog tot einde juni. Daarom is het een plantje dat zich heel makkelijk leent om opengevallen plaatsen in de bordergelederen op te vullen. Zaaien dus daar waar de opvulling nodig is. De grond moet wel eerst goed diep – twee (spade)steken – worden losgemaakt. Het slaapmutsje vormt een lange penwortel. Hou het zaaibed vanaf het zaaien wel goed vochtig. Hoe later gezaaid wordt, des te korter is natuurlijk wel de bloeiperiode. De bloei gaat onafgebroken door tot de eerste nachtvorst.

Het blad vertoont een blauwgroene kleur en is mooi diep ingesneden. Slaapmutsjes zijn goed te combineren met Oost-Indische kers (Tropaeolum). Het contrast in bladvorm daarmee is op zich al een plaatje. Ook de Oost-Indische kers heeft evenals het slaapmutsje hoofdzakelijk geel en oranje getinte bloemen. De bloemen sluiten zich bij zonsondergang en openen zich weer bij het opkomen van de zon. Vandaar slaapmutsje.

Van de slaapmutsjes is hoofdzakelijk de Eschscholtzia californica in cultuur. Daarvan is wel een aantal variëteiten verkrijgbaar, zoals Eschscholzia californica var. compacta delicata en Eschscholzia californica var. flore pleno. De var. compacta delicata heeft kleinere bloemen dan de soort en groeit uit tot 30 centimeter hoogte.
De variëteit flore pleno is gevuldbloemig en heeft meer gekleurde bloemblaadjes rond de bloembodem. Van oorsprong heeft het slaapmutsje een gele bloem. Nu zijn ook de kleuren (fel)oranje, rood en roodbruin verkrijgbaar. Al deze kleuren zijn zowel enkelbloemig als dubbelbloemig verkrijgbaar. Slaapmutsje is een goede snijbloem, die lang houdbaar is op vaas. Zet de stelen in ondiep water.

Tandzaad – Latijnse benaming: Bidens ferulifolia

Tandzaad is bij ons een kort levende plant en daarom een eenjarige plant. In Mexico en Arizona is het een overblijvende plant.

Bidens ferulifolia ‘Solaire’ bloeit vanaf eind voorjaar tot ver in de herfst

Desondanks is het de moeite waard om deze plant eens op te nemen in uw border met eenjarigen.

Bidens of tandzaad dankt zijn Nederlandse naam aan de twee tanden of haakjes, die aan het kleine zaad zitten. De bedoeling is, dat de zaden door dieren of mensen – als ze langs de plant lopen – worden verspreid. De zaden zetten zich dan vast aan pels of kleding. Het omhulsel van de zaden is borstelig, daarbinnen zit het echte zaadje. Bidens is een composiet en behoort tot de familie van de Asteraceae. De plant groeit op vrijwel iedere grond, die goed water doorlatend is en niet nat blijft na een regenbui. De plant verlangt een plaats in de volle zon. Wie wil zaaien, zaait ter plaatse in de volle grond. Zaaien kan vanaf eind april tot half mei.

Bidens heeft sterk vertakte stengels met kruisgewijs tegenover elkaar geplaatste bladen. De meeste soorten tandzaad bloeien met gele bloemhoofdjes. De lintbloemen zijn breed van vorm. Bidens aequisquamea bloeit met rozerode bloemhoofdjes. Bidens ferulifolia wordt rond de vijftig centimeter hoog. Variëteiten van deze soort bloeien lang: vanaf eind voorjaar tot de eerste nachtvorst. De bladen van de soort zijn varenachtig en verdeeld over segmenten. Bidens ferulifolia ‘Solaire’ is een van de variëteiten, die regelmatig als zaad worden aangeboden. Daarnaast zijn variëteiten als ‘Arizona’ en ‘Golden Goddess’ in cultuur.

Tuin Lobelia – Latijnse benamig: Lobelia erinus

In het voorjaar worden volop eenjarige planten te koop aangeboden. Daaronder is een welbekende, haast niet weg te denken soort van de tuinlobelia (Lobelia erinus), de blauw bloeiende en compact groeiende plant voor balkonbakken, hanging baskets en borders.

L. ‘Ruby Slippers’ heeft naast een opvallende bloemkleur grote bloemen

Minder bekend zijn de hoog groeiende eenjarigen. Daarvan is Lobeliagerardii ‘Ruby Slippers’ een opvallende en prima bloeiende nieuwigheid. Wie zich eens waagt aan wat minder bekende Lobelia-soorten, zal worden verrast door een schitterende bloemenpracht.

Eenjarige Lobelia kun je zaaien. Het zaad is fragiel en uiterst klein. Gezaaid wordt in kistjes met een goede potgrond, die permanent licht vochtig moet worden gehouden. Het zaaisel moet bij een gelijkmatige kamertemperatuur ontkiemen. Hierna worden de kiemen in kleine bosjes verspeend in potten en opnieuw bij kamertemperatuur gehouden om ten slotte half mei buiten te worden uitgeplant. Wie geen plaats heeft om binnen te zaaien of een vrij constante temperatuur kan verwezenlijken, zaait buiten onder glas. In dat geval wordt vanaf half maart/begin april gezaaid. De planten zullen dan wat later in de zomer bloeien.

Lobelia ‘Ruby Slippers’ in knop De plant kan wel tot anderhalve meter hoog worden

Familieproblemen
Lobelia behoort tot de familie van de Campanulaceae. In het verleden was het geslacht ingedeeld bij de Lobeliaceae. Sommigen houden hieraan vast, terwijl anderen de Lobeliaceae als onderfamilie van de Campanulaceae zien. Lobelia dankt zijn naam aan een botanicus uit de zeventiende eeuw, Matheus L’Obel.

Zon en vocht
De hoog groeiende soorten Lobelia houden van een voedzame humusgrond, die permanent vochtig, maar goed water doorlatend is. Een plaats in de volle zon zorgt voor een rijke bloei. Bij een tekort aan vocht gaan de bloemaren hangen. Veel van de hoog groeiende soorten kunnen uitstekend in de buurt van een natuurlijke vijver worden gehouden. Op deze manier beschikken de planten vrijwel altijd over voldoende vocht in de grond en is bovendien de luchtvochtigheid uitstekend om het blad mooi groen te helpen houden.
Lobelia x gerardii ‘Ruby Slippers’ is een variëteit, waarvan de ouderplanten uit Noord- en Oost-Amerika stammen (Lobelia cardinalis x Lobelia siphilitica). Een wat ander type LobeliaLobelia‘Laguna’, hoort thuis in de serie tuinlobelia’s.

L. ‘Laguna’ behoort tot de Regattaseries

Een andere bekende variëteit is ‘Vedrariensis’, die met blauwpaarse bloemen in de zomer bloeit.

Daarin is flink wat werk verzet om goede nieuwe variëteiten te krijgen door middel van kruisingen. Binnen deze tuinlobelia’s worden series als Cascade en Regatta onderscheiden. De laatste serie heeft onder meer wit gespikkelde bloemen. Het zijn en blijven onmisbare en dankbare eenjarigen om de zomerborder en plantenbak te vullen. Aan de bloem van de tuinlobelia is de treffende gelijkenis met Campanula (klokjesbloem) te zien. Experimenteer desondanks eens met wat minder bekende soorten en variëteiten van Lobelia

 

 

 

 

 

 

 

Wonderboom – Latijnse benaming: Ricinus communis

Het Parijse park Parque de Bercy ligt langs de Seine ongeveer tegenover de nieuwe Bibliothèque Nationale. In vroeger tijden bevonden zich op een gedeelte van het terrein wijnpakhuizen.

Het decoratieve blad van de wonderboom trekt alle aandacht.

Nu is er een schitterend park aangelegd. Bij een van de gebouwen in het park staat de ‘wonderboom’. De wonderboom is een decoratieve bladplant en ten onrechte nog niet veel te zien in onze tuinen.

Wonderboom of -struik?
Oorspronkelijk komt de wonderboom van het Afrikaanse continent. Daar wordt de plant echt een boom van wel 15 meter hoog. In ons klimaat wordt de wonderboom met veel geluk maar 4 meter hoog. Er zijn soorten die nauwelijks hoger worden dan 1,50 tot 2,50 meter. Deze soorten zijn als struik goed te gebruiken in een brede border.

Ricinus lividus een wonder met rode bladeren

In ons klimaat wordt de wonderboom met veel geluk maar 4 meter hoog. Er zijn soorten die nauwelijks hoger worden dan 1,50 tot 2,50 meter. Deze soorten zijn als struik goed te gebruiken in een brede border. De wonderboom, Ricinus communis, wordt ook wel Palma Christigenoemd.
Het wonder van Ricinus bestaat uit de olie die uit de gespikkelde bonen van de plant wordt geperst. In de geneeskunde wordt deze olie voorgeschreven als purgeermiddel.

Ter plaatse zaaien
Ricinus is in ons klimaat een éénjarige plant. Het beste resultaat is te krijgen als de zaden meteen op de plek gezaaid worden waar de plant in de zomer verder kan uitgroeien. In afzonderlijke potjes zaaien kan ook, maar verspenen overleeft de plant niet. Gezaaid wordt in maart – april in een voedselrijke, humeuze grond. Als er in potten is gezaaid, worden de planten in mei – juni buiten geplant. Grote planten van Ricinus zijn alleen te krijgen als er steeds rijkelijk wordt gesproeid. Het is een echte waterslurper.

Bloem van Ricinus lividus

De warmste plaats is voor de wonderboom vereist.

Groene en rode bladeren
Van Ricinus communis zijn enkele variëteiten in omloop. Er zijn er met groene, bruine en roodpurperen bladeren. Op de foto hierboven is de variëteit lividus te zien. Deze heeft roodpurperen, schildvormige bladeren. De oranje bloemen komen in recht opstaande pluimvormige trossen boven aan de plant. Een echt bruine variant is var. borboniénsis. Groene bladeren met witte nerven heeft de var. zanzibariénsis. De wonderboom behoort tot de wolfsmelkachtige (Euphorbiaceae).

De wonderboom is een fraaie éénjarige plant voor wie de ruimte ervoor heeft. Deze opvallend sierlijke en aandacht trekkende plant komt het beste tot z’n recht wanneer er een grote groep van wordt aangeplant.

Ijzerhard eenjarig – Latijnse benaming: Verbena-hybride

Eenjarig ijzerhard is uitermate geschikt voor bloembakken en perken. Er zijn de laatste jaren heel veel variëteiten in Amerika gekweekt. Het zijn alle hybriden van Verbena.

Verbena Turkana scarlet ‘Scarlena’ wordt tot veertig centimeter hoog

De variëteiten hebben het grote voordeel, dat ze laag zijn en blijven en compact groeien. Ze bloeien lang in de zomermaanden en sterven pas af bij nachtvorst.

Verbena heeft felle kleuren. Blauw, blauwpaars en felrood zijn de meest voorkomende kleuren. Eenjarige Verbena koop je als perkplant of je zaait ze zelf, zoals Obsession, Romance en Quartz. Zaaien kan in maart als je over een kas of verwarmde bak beschikt. De temperatuur moet circa 20 °C bedragen. In de volle grond wordt Verbena in april gezaaid; ze bloeien dan wel wat later. De planten verlangen een plaats in de volle zon en een humusrijke, licht vochtige grond. Andere variëteiten, zoals Babylon, Ipanema, Lanai, Temari en Turkana, worden in het voorjaar gestekt.

Verbena Ipanema blue ‘Vilena’
Alle soorten Verbena-hybride hebben licht behaard blad.
De variëteit wordt aangeduid met Ipanema blue.
Bladen zijn altijd getand en onregelmatig van vorm.
Bloemen geuren licht.
Deze variëteit wordt tot twintig centimeter hoog.
Verbena Babylon purple ‘Wynena’
De variëteit wordt aangeduid met Babylon purple en heeft dieproze bloemen.
Deze wordt niet hoger dan twintig centimeter. Het loof is frisgroen van kleur, zodat de bloemen daar mooi bij afsteken.
Verbena Pink improved ‘Obsession’
Deze variëteit wordt aangeduid met ‘Pink improved’. In het hart van de bloem is een klein, vuilwit vlekje te zien.
Deze wordt niet hoger dan vijfendertig centimeter.
Verbena Pink improved ‘Obsession’
Deze variëteit wordt ook aangeduid met ‘Pink improved’. De witte vlek is bij deze variëteit niet aanwezig. Voor het overige lijkt deze veel op de voorgaande variëteit.
De plant wordt niet hoger dan dertig centimeter.
Verbena Pink improved ‘Obsession’
Deze variëteit wordt aangeduid met ‘Red with eye’. De witte vlek is bij deze variëteit groot.
Bloemen zijn aanzienlijk groot.
De plant wordt niet hoger dan veertig centimeter.
Verbena hybride ‘Lanai’
Deze variëteit wordt aangeduid met ‘Lavender Star’. De plant bloeit met vaal, lichtpaarse bloemen. De plant wordt niet hoger dan vijfentwintig centimeter.
Verbena hybride ‘Sunivabupa’
De variëteit bloeit met intens blauwpaarse bloemen. De plant wordt niet hoger dan vijfentwintig centimeter.

Zonnebloem – Latijnse benaming:  Helianthus annuus

 

Zonnebloemenrace, de zonnebloem van Vincent van Gogh, velden vol

met zonnebloemen in Frankrijk, Italië en Griekenland en Turkije. De zonnebloem heeft iets, wat ons aanspreekt. Naast de imposant grote bloem zijn dat ongetwijfeld de hoge stengels, waarmee de plant de hemel bestormt. De zonnebloem is in ons land meestal een zielig alleenstaande bijzonderheid. In de zomer staat een vaas vol zonnebloemen artistiek. Kinderen en volwassenen hopen al jarenlang om de hoogste zonnebloem op te kweken. Dichter bij de grond bezien zijn de bloemen gewoon mooi om te zien.

De zonnebloem (Helianthus annuus) ontleent zijn naam aan de Griekse woorden voor zon (helios) en bloem (anthos). De plant behoort tot de omvangrijke familie van de composieten (Compositae). Helianthus annuus is éénjarig. Daarnaast bestaan er van dit geslacht diverse overblijvende, vaste planten. De meeste soorten van het geslacht komen van nature voor op het Amerikaanse continent. Uit de zaden van de zonnebloem wordt de zonnebloemolie geperst. De plant is één van de belangrijkste leveranciers van plantaardige olie.

Helianthus annuus zonnebloemen

Een zonnebloem bloeit vanaf het begin van de zomer tot laat in de herfst. De plant groeit met hoge, ruw behaarde stengels. De stengels kunnen tussen de één tot vijf meter hoog worden. De stengels zijn zelden vertakt. De bladen zijn kleverig en behaard en groot in omvang. De bladvorm is breed eirond of hartvormig. De bladen staan aan lange, dikke stengels. Een zonnebloem bloeit met samengestelde bloemen (sympetalen). De buitenkrans bestaat uit lintbloemen. Daarbinnen bevindt zich het plateau met meeldraden en stampers. Hier groeien in een latere fase de witgrijze, oliehoudende zaden.

Zonnebloem… …is er niet alleen in geel

Een zonnebloem wordt buiten in de volle grond gezaaid. Zaaien in april op een zonrijke plaats.

De grond moet diep humeus en goed water doorlatend zijn. Een zonnebloem vereist voor een goede groei veel vocht. Leg de zaden op een afstand van 40 x 60 centimeter. Geef een zonnebloem af en toe korrelmest in de vorm van NPK. De hoofdbloei is in juli tot en met september.
Van de zonnebloem zijn ook typen verkrijgbaar, die geschikt zijn voor kleine tuinen. Die worden maximaal twee meter hoog. Voorbeelden hiervan zijn ‘Herbstschönheit’ en ‘Teddy Bear’. De zonnebloem is er in de kleuren geel, lichtgeel, donkergeel, goudgeel, bruinachtig rood en dieprood. Na de bloei en hopelijk vruchtzetting kunnen de planten bij de grond af worden afgeknipt.